clown

Carnaval – de clown van God 1


‘Het leven is een feest, maar je moet wel zelf de slingers ophangen’. Je moet er zelf iets van maken. Soms lukt dat, soms ook niet. Omdat er ook die andere kant is: dat leven geen pretje is. Er is licht en donker, vreugde en verdriet, leven is een lach en een traan. Ik denk aan het verhaal van een jonge vrouw, ’al’ twee keer gescheiden. Zij gelooft intens in de liefde (misschien wel steeds meer!). En ze vertelt van haar vader die plotseling wegtrok uit zijn gezin voor een andere vrouw. Hij begon een nieuw leven, waar haar moeder bleef vastzitten en hangen in het oude leven. Boos, verbitterd over het gebroken gezin, een verhard hart, ontevreden, verdrietig. Als jong meisje probeerde ik het een beetje goed te maken, haar op te vrolijken. Ik was de clown en ben dat altijd in mijn leven gebleven.

Een grapje, een geintje. Niet meegaan in de donkere verhalen. Een heel andere wending geven aan een gesprek. Iemand heeft Jezus wel eens de clown van God genoemd. Hij hangt de slingers op van Gods liefde. Hij is Gods glimlach. Carnaval, de vooravond van de veertigdagentijd/Vastentijd doet mij daaraan denken. Het is meer dan ‘zo maar’ een feestje. God gelooft in het leven!


Laat commentaar achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Carnaval – de clown van God

  • Helena

    Jezus clown van God.? ik geloof dat hiermee geloof geen dienst wordt bewezen. Ik kende wel de titel ,

    Jezus de “clown” van Nazaret
    In zijn boek ‘Narrenfeest’ heeft Harvey Cox een hoofdstukje dat als titel draagt ‘Christus de harlekijn’. Hij wijst hierin op het clowns-aspect van Jezus en schrijft: ‘Net als de nar tart Jezus de gewoonten en bespot hij gekroonde hoofden. Net als de rondtrekkende troubadour heeft hij geen plaats om zijn hoofd neer te leggen. Net als een clown in een Circusparade steekt hij de draak met de bestaande autoriteit door met koninklijke praal de stad binnen te rijden, terwijl hij geen aardse macht heeft. Net als de minstreel frequenteert hij feestelijke gelegenheden en maaltijden. Uiteindelijk wordt hij door zijn vijanden in een bespottelijke caricatuur van een koningsmantel gehuld. Temidden van gniffelaars en schimpers wordt hij gekruisigd met een schild boven zijn hoofd dat zijn lachwekkende pretentie hekelt’.
    De Franse schilder Georges Rouault,(1871-1958) die van het circus hield en innig was verbonden met de Franse katholieke traditie, durfde Jezus af te beelden als een clown. Trouwens een van de oudste Christus-voorstellingen is de afbeelding, die iemand in het oude Rome op een muur kraste: een gekruisigde mensenfiguur met een ezelskop met daaronder in het Grieks de woorden: ‘Alexamenos aanbidt (zijn) god’. Dat het graffito spottend bedoeld is, daarover hoeft geen twijfel te bestaan. Hoogst waarschijnlijk wilde iemand de christen Alexamenos belachelijk maken. In die tijd, de derde eeuw, ging onder heidenen het praatje dat bepaalde gelovigen een god met een ezelskop aanbaden. De onbekende ‘tekenaar’ illustreert daarmee wat Paulus twee eeuwen tevoren had geschreven over de gekruisigde Christus: ‘voor de joden een ergernis, voor de heidenen een dwaasheid’.

    De evangelies vertellen, hoe Jezus in elk geval één keer tot clown werd gemaakt. Dat gebeurt in het lijdensverhaal. Eerst is al eens verteld dat Jezus nazijn verhoor bij het Sanhedrin bespot werd als profeet. Sommigen spelen met hem blindemannetje: zijn gezicht wordt bedekt en hij moet raden wie hem slaat (Mk. 14,65). Iets verder lezen we dan hoe hij na zijn veroordeling bij Pilatus, door de soldaten die betrokken zijn bij de terechtstelling, als een clownsfiguur behandeld wordt, als een schertskoning, wanneer ze hem een purperen koningsmantel omhangen en een kroon van doornen opzetten. Dat vertellen ons de evangelisten Markus en Matteüs (vgl. Mk. 15,16-20). Lukas vermeldt dit merkwaardigerwijze niet, maar hij vertelt wel dat Pilatus Jezus naar Herodes laat voeren en dat hij daar door Herodes en diens gevolg beschouwd werd als een belachelijk figuur en, uitgedost met een pronkgewaad, werd teruggestuurd naar Pilatus (Lk. 23,6-12).
    Dit laatste verhaal dat alleen in het Lukasevangelie wordt bericht, willen we hieronder wat nader beschouwen. Het kan ons een beeld geven van de manier waarop de evangelist Lukas te werk gaat in zijn passieverhaal en welke boodschap hij zijn lezers daar wil voorhouden, maar eerst is het nuttig enkele algemene kenmerken van Lukas’ passiebericht aan te geven.
    Hel passieverhaal bij Lukas
    In verschillende opzichten staat het lijdensverhaal van Lukas tussen de verhalen van Markus en Matteüs enerzijds en dat van Johannes anderzijds. Waar Lukas afwijkt van zijn voorganger Markus, lijkt hij in de buurt te komen van de evangelist Johannes zowel in de feiten die hij verhaalt, als in de theologische belichting die hij ze meegeeft. Jezus heeft bij Lukas niet die majesteitelijke suprematie zoals bij Johannes, maar hij blijkt wel een goddelijke rust en gelatenheid te bezitten, die hem de dood vastberaden onder ogen doet zien. Verder lijkt de zorgvuldigheid waarmee Lukas de enscenering van het Romeinse proces bij Pilatus heeft uitgewerkt, op die van Johannes.
    Wat verder in het oog springt, wanneer men Lukas’ verhaal legt naast dat van Markus, is het feit dat Lukas een aantal gegevens toevoegt aan het verhaal van zijn voorganger. Zo vinden we bij Lukas bijvoorbeeld een eigen versie van het laatste avondmaal met onderricht van Jezus (22,14-38), horen we over een troostende engel in de Hof van Olijven (22,43-44) over een verhoor van Jezus bij Herodes (Lk. 23,6-12), over een ontmoeting met vrouwen van Jeruzalem op de kruisweg (Lk. 23,27-32), en over een gesprek met de moordenaars aan het kruis (23,39-43).
    Andere passages worden op een geheel eigen manier weergegeven zoals het verschijnen van Jezus voor het joodse Sanhedrin. Bij Lukas gebeurt dat niet in de nacht, maar in de vroege morgen en is het meer een eerste verhoor om een aanklacht te kunnen formuleren dan een echt proces. Het eigenlijke proces is dat bij Pilatus en dit is door Lukas op een nieuwe wijze in scène gezet.
    Dit alles heeft verschillende bijbeluitleggers ertoe gebracht te veronderstellen dat Lukas over een eigen bron voor het lijdensverhaal zou beschikken, onderscheiden van die van het Markusevangelie. Anderen denken – met meer recht, lijkt het – dat zo’ n aparte bron voor Lukas niet nodig is. De eigenheden kunnen voldoende verklaard worden als men aanneemt dat hij enerzijds de beschikking had over bepaalde mondelinge informatie en anderzijds op een eigen wijze de gegevens herschreef en herschikte. Hij wilde immers een nauwkeurig en goed geordend verslag schrijven (vgl. Lk. 1,3), dat wil zeggen een verslag waar hij helemaal achter kon staan en dat hij belangrijk vond voor zijn lezers.
    *
    De belangrijkste trekken van het eigen beeld dat Lukas schept, willen we hier aanstippen. Dat is allereerst het beeld van een Jezus, die ten onrechte wordt veroordeeld en onschuldig de dood ingaat: de lijdende rechtvaardige. Lukas heeft het proces bij Pilatus herschreven om Jezus’ onschuld uit te laten komen. Bij Lukas krijgt Jezus een drievoudige beoordeling, eerst door Pilatus, dan door Herodes en tenslotte door het volk. En elke keer moet uitdrukkelijk worden vastgesteld dat de aangeklaagde onschuldig is (23,4.12.15.22). Dit oordeel wordt daarna nog eens bevestigd door een van de rebellen die gelijk met Jezus gekruisigd wordt (23,41), en door de Romeinse hoofdman, die als bewaking bij de kruisdood aanwezig is: ‘Die man was waarlijk een rechtvaardige’ (23,47). Lukas wil zo ongetwijfeld de geruchten en praatjes over de Jezusbeweging die in zijn tijd de ronde deden, wegnemen als zou deze nieuwe godsdienst verdacht zijn en teruggaan op een misdadiger. Angst bij de Romeinen voor de christelijke boodschap is dus ongegrond.
    *
    Een ander oogmerk dat Lukas voor ogen stond, was Jezus te tekenen als het model van de martelaar dat christelijke bloedgetuigen tot voorbeeld en steun kan zijn: Jezus legt een voorbeeldige getuigenis af voor het Sanhedrin, zodat men zegt: ‘Wat hebben wij nog een getuigenis nodig?’ (22,71). Ook zijn houding voor Pilatus en Herodes toont hoe christenen moeten handelen als zij voor eenzelfde soort tegenstanders moeten verschijnen. Hij bidt voor zijn beulen (23,34) en legt zijn doodbloedende leven in de handen van de Vader (23,46). Zo bereidt Jezus de weg voor de latere martelaren. We zien dan ook dat Jezus’ houding navolging vindt bij de eerste martelaar van de kerk, Stefanus (Hand. 7,59-60).
    De verantwoordelijkheid voor Jezus’ dood legt Lukas bij de joden, speciaal de joodse leiders (23,2-5; vgl. 24,20), maar tegelijkertijd blijkt dat het volk sympathie toont voor Jezus (23,27.35.48-49) en niet aan de bespottingen van Jezus deelneemt.
    Ook Jezus’ leerlingen worden door Lukas ontzien: het portret dat hij van de leerlingen geeft is veel barmhartiger dan dat van Markus. Nergens wordt gezegd dat zij op de vlucht slaan zoals Markus doet. Zij zijn wel zwak en kunnen niet weerstaan aan de verleiding om geweld te gebruiken tegen de wil van Jezus in (22,35vv.), maar we horen niet dat ze Jezus in de steek laten. Er wordt integendeel vermeld dat vrienden van hem uit de verte toekijken als hij aan het kruis hangt (23,49).
    Jezus voor Herodes
    Een van de eigen berichten van Lukas zegt dat Jezus door Pilatus naar Herodes wordt gestuurd wanneer blijkt dat Jezus uit Galilea komt (23,6-12). Het is een bericht dat op een feitelijk gebeuren kan teruggaan, aangezien Lukas ook elders over bijzondere informatie aangaande Herodes beschikt. Deze Herodes Antipas, tetrarch van Galilea, had de dood van Johannes de Doper op zijn geweten en ook Jezus werd voor hem gewaarschuwd (13,31). Hij was in elk geval erg nieuwsgierig naar Jezus (9,7-9). Die nieuwsgierigheid wordt nog eens extra door Lukas benadrukt als Jezus onverwacht door een ‘vriendendienst’ van Pilatus voor hem verschijnt (23,8). Maar Herodes’ nieuwsgierigheid wordt teleurgesteld. Jezus zwijgt in alle talen. Het is het zwijgen van de onschuldig lijdende dienaar. Het is het zwijgen dat voortkomt uit een diep vertrouwen in God. Dan wordt Jezus voor hem een schertsfiguur, iemand die belachelijk gemaakt kan worden. Hij wordt uitgedost met een stralend witte mantel. Of deze mantel zijn onschuld moet symboliseren of de kleding van een bestuursambtenaar verbeelden, is niet duidelijk. Misschien gaat het alleen maar om een pronkgewaad. Duidelijk is dat de Galilese vorst Jezus als volkomen ongevaarlijk beschouwt. Hij zendt hem terug naar Pilatus. De Romeinse landvoogd voelt zich bevestigd in zijn opinie over Jezus van Nazaret: ook Herodes ziet hem als een onschuldige (23,15). De passage wordt dan afgesloten met de kryptische zin: ‘Van die dag af werden Herodes en Pilatus vrienden van elkaar; tevoren waren ze namelijk vijanden’ (23,12). Deze vijandschap moet teruggaan op het brutale bloedbad dat Pilatus enige tijd tevoren had aangericht onder Galileërs in de tempel (13,1).
    Wil Lukas met dit berichtje alleen maar aanvullende informatie geven? Of ziet hij hierin eens te meer een bewijs van de verzoenende werking, die er van Jezus uitgaat? Het is echter waarschijnlijker dat we betekenis van deze plotselinge alliantie kunnen vinden in een passage van Handelingen. De apostelen Petrus en Johannes spreken daar over ‘het samenspannen in Jeruzalem van Herodes en Pontius Pilatus met de volkeren en de mensen van Israël tegen Gods heilige dienaar Jezus’ (Hand. 4,24-27). Zij zien dit verbond van de twee ‘vorsten’ als vervulling van de Schrift die zegt: ‘De koningen der aarde stellen zich op, de leiders spannen samen tegen de Heer en zijn gezalfde’ (Ps. 2). Lukas ziet dus een monsterverbond aan het werk om de onschuldige Jezus terechtgesteld te krijgen.
    De paradox van de kruisdood
    Voor iemand die het passieverhaal van Lukas aandachtig leest, zit het vol paradoxale trekken, soms vergezeld van een vleugje ironie.
    – De aanklacht tegen Jezus is voornamelijk politiek getint: hij ruit het volk op en leert dat men geen belasting moet betalen aan de keizer. Degene die het hele evangelie kent, weet dat Jezus wordt getekend als iemand die van kindsbeen af leeft volgens de joodse wet en dat hij juist niet aanzet tot belastingweigering (20,20-26).
    – Jezus is verschillende keren officieel onschuldig verklaard door de rechter. Toch wordt hij als misdadiger veroordeeld.
    – De vreedzame Jezus, die geweld afwijst, wordt geplaatst tegenover een algemeen bekende terrorist, Barabbas. Terwijl er geen twijfel over kan bestaan wie de werkelijke misdadiger is (Lukas licht dit twee keer toe: 23,19 en 25), geeft men toch de voorkeur aan Barab¬bas.
    – Temidden van zijn eigen gevaar en nood heeft Jezus aandacht en zorg voor anderen. Hij geneest de knecht die in het tumult van de arrestatie gewond raakt (22,48). Hij is bezorgd om het lot van ‘de dochters van Jeruzalem’, de vrouwen die om hem treuren op de weg naar Golgota (22,27-31). Hij heeft medelijden met de berouwvolle misdadiger die samen met hem gekruisigd is en laat hem zo op het laatste moment het rijk Gods ‘stelen’ (23,42-43).
    – De joden willen Jezus elimineren omdat ze een eind willen maken aan zijn groeiende invloed. Wat blijkt is dat door Jezus’ kruisdood zijn invloed opnieuw toeneemt en zijn helende kracht zich voortzet: een stervende misdadiger belijdt zijn vertrouwen in hem; een heidense centurio erkent Jezus als rechtvaardige en ‘toen alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, hadden gezien wat er gebeurd was, sloegen zij zich op de borst en keerden naar huis terug’ (23,48).
    ‘Lukas tekent Jezus’ dood als de grootste paradox van de menselijke geschiedenis, de dwaasheid van het kruis. Joodse leiders, Romeinse soldaten en zelfs een lotgenoot in de dood spotten en lachen met de zwakheid en hulpe¬loosheid van die ene, die een machtige messias en koning moet voorstellen. Jezus weerstaat tot het einde toe de bekoring van de satan om de weg te gaan van de macht, het krachtvertoon en het geweld. Terwijl mensen op aarde lachen, lacht God het laatst en het best als Hij Jezus’ onschuld recht doet door hem uit de dood te laten opstaan om het lachen en de vreugde van de gelovigen op Paaszondag en daarna mogelijk te maken’ (J.A. Grassi). Terecht geldt van Jezus wat H. Cox zegt als hij spreekt over een clown: ‘De clown wordt alsmaar verslagen, beduveld, vernederd en afgetroefd. Hij is oneindig kwetsbaar, maar nooit volkomen verslagen’.
    Ronald THIJSSEN